donderdag, november 30, 2006

De dekmantel

Er zijn bij mij in de buurt wel meer winkels die ik met de noemer marginaliteit zou kunnen aanduiden. Veel winkels ook waar ik nooit een klant zie. Nu hoeft dat niet noodzakelijk te betekenen dat er nooit iemand komt, maar ik vind het toch een veeg teken. In bepaalde gevallen verbaast het me ook hoegenaamd niet. Zo weet ik, niet zo ver hiervandaan, een winkel waar ze én groenten en fruit én onder meer porno films verkopen. Bent u nog geneigd daar een komkommer te gaan kopen? Ik dacht het niet.
(idee voor later: daar binnenstappen en enkele pruimen vragen)

De winkel waar ik vandaag binnenstapte, had ik nog niet gecatalogeerd onder de noemer marginaliteit, wel binnen de groep winkels zonder klanten. Op zich was dat al een heel veeg teken, want het betreft hier een bakkerij. Maar bon, mijn medelijden haalde het van mijn ratio.

Ik was al een paar keer voorbij dat bakkerijtje gefietst en twee dingen vielen mij daarbij keer op keer op: de bakkerij had geen naam, geen uithangbord, geen reclame. En vooral dus: geen klanten. Nochtans zag alles er proper en verzorgd uit, dus ík zag geen graten.
En vandaag was het ook zover: ik zou de dagelijkse omzet van bakkerij X verdubbelen. Wat vervolgens gebeurde, tart alle verbeelding.

Het begon al met het binnengaan. Aan de deur (of wat ik dacht dat de deur was) gekomen, wilde ik die opentrekken, maar dat bleek om één of andere reden niet te lukken. Mijn frank viel pas na enkele seconden: het was een schuifdeur! Nog eens tien seconden later bleek die al open te staan. Origineel, dat was het sowieso, doch deze ingenieuze nieuwigheid bracht me niet op andere gedachten en vastbesloten stapte ik de winkel binnen. Een man van Marokkaanse afkomst, die ik tussen de 25 en de 30 situeerde, laten we hem voor de eenvoudigheid Koenraad noemen, veerde recht.

Ik besloot met een klassieker te beginnen: hebt u nog een lang wit? Mij leek die vraag niet geheel overbodig aangezien op dat uur van de dag (het was rond 17u) al veel bakkerijen zonder brood zitten. Bovendien zijn niet alle bakkerijen hier in de buurt zo goed voorzien van wat wij, Belgen, verstaan onder broden. Turkse broderijen in overvloed, maar gewone Belgische broden… ho maar! Deze bakkerij was een mengeling van de twee. Taarten, worstenbroden, koffiekoeken, cakes, en daarachter Franse broden, Turkse broden, en meer van dattem (lieve allochtone gemeenschap: vergeef het mij, maar ik ken de naam niet van al die platte ronde schijven die jullie mij proberen te verkopen). Daarbij viel het me op dat de winkel UITPUILDE. Werkelijk elke plank lag vol, elke toonbank was volgepropt, en ook óp de toonbank stonden manden volgestapeld met koeken, wafels, cakes, ... Toch een beetje vreemd, ja.

Bon, ik had dus gevraagd naar een lang wit brood. Je zag Koenraad een nanoseconde nadenken, en vervolgens keek hij me aan met een blik alsof ik zonet drie kilo gedroogde dinosauriërstront had besteld. Nu, iedereen kan een moment van opperste verwarring doormaken, dus ik probeerde het vriendelijk nog een keer. Het gezicht van de vriendelijke man vertrok en even dacht ik dat ik zijn geloof finaal had beledigd door in zijn moedertaal te refereren naar de buitenechtelijke relaties van zijn goddevader – maar hij glimlachte snel weer en maakte duidelijk dat hij geen Nederlands begreep...

Dit wordt moeilijk, dacht ik stilaan, maar als rechtgeaarde Belgicist wilde ik deze Waal een faire kans geven. Vreemd genoeg begreep hij ook “pain blanc” niet. Blijkbaar had Koenraad evenwel al eens te maken gekregen met deze situatie, want de manier waarop hij zijn inboedel aanprees met brede armen getuigde niet van enig amateurisme.
Ondertussen had ik één brood ontdekt tussen een gigantische hoeveelheid Turkse en Franse broden en dus wees ik in de richting van wat er uit zag als een wit brood. Koenraad had nu door wat ik bedoelde en ging met het brood naar wat eruit zag als een oude, maar degelijke broodsnijmachine.

Bon, even tot daar. De monumentale hoeveelheid eetwaren in de winkel, gecombineerd met de schijnbare klantenstilte hadden me ondertussen toch lichtjes doen twijfelen over de integriteit van Koenraads bakkerij. Ik zag in de toonbank enkele potjes kipcurry staan en zo onopvallend mogelijk probeerde ik de versheidsdatum te lezen… 9 december, dat leek me wel veilig zo. Ik vond de beslissing om deze bakkerij uit te proberen, tot nader order nog steeds een goed idee. Ondertussen begon ik me af te vragen waar de kassa eigenlijk stond, want die was nergens te bekennen…

Koenraad stond ondertussen voor de broodsnijmachine. Dit had hij ook al eerder gedaan, dacht ik aan de professionaliteit waarmee hij de hendel controleerde, te ontwaren. Fout gedacht. Het snijden duurde een eeuw-ig-heid, maar aangezien ik nog steeds in een opperste-beste bui was, deerde me dat weinig. Mijn frank viel pas toen de snijmachine stopte, hij mijn brood boven wilde halen, daar halverwege mee stopte en de snijmachine opnieuw opstartte. Ik keek over de toonbank, het brood hing half uit elkaar, en het middelste deel stak nog tussen de messen. Een nieuwe poging van Koenraad mislukte opnieuw. Een bezorgde blik over de toonbank heen. Ik begon ondertussen toch te vrezen voor mijn brood.

Het valt moeilijk te omschrijven wat er op dat moment allemaal door mijn hoofd ging. Algemeen kwam het ongeveer neer op: dit is geen echte bakkerij – dit is een dekmantel voor een criminele organisatie – niemand had ooit gedacht dat hier iemand zou binnenstappen – ik ben de eerste die dat effectief doet en heb me zo geweldig in de nesten gewerkt – ik zal dra vermoord worden – ik ben nog te jong om sterven. Alle puzzelstukjes vielen plots op hun plaats: een Nederlands-onkundige winkelbediende, een overvolle bakkerij in de vooravond, het ontbreken van een naambord, het ontbreken van een kassa. En dat brood, dat was waarschijnlijk van gyproc of papier-maché, en daarom dat die broodsnijmachine vastliep. Of die machine staat daar enkel voor de schijn en werkt niet echt, dat kon ook natuurlijk. En in die Franse broden zaten natuurlijk Kalasjnikovs verstopt.

Ondertussen deed Koenraad een derde poging, maar ook die ging de mist in. “Mm, ça marche pas,” klonk het in twijfelend Frans. Vertel mij wat, dacht ik. Maar ik besloot het nog even aan te zien, en vond het op één of andere manier ook wel lollig worden.
“Non, ça marche pas,” kloeg hij opnieuw. En hij keek me vragend aan. Medelijden was op zijn plaats.

Ik vroeg nog één keer met een hoofdbeweging of er misschien nog wat aan te doen was, maar Koenraad zag het niet meer zitten. Ik moest wel afdruipen. Teleurgesteld. Maar geïntrigeerd, dat wel. Want zelfden zoiets meegemaakt. Zelfs niet in de winkel met de komkommers en de pruimen.

Toen ik buitenstapte, kwam een oud vrouwtje met een karretje binnengestapt. Een Frans brood, hoorde ik haar stamelen...